7. Terminologie

Boule: metalen bal waarmee je gooit.

But: het kleine houten balletje dat bij Pétanque als doel dient.

Cirkel: plaats waaruit men werpt met een doorsnede van minimaal 35 en maximaal 50 cm.

Mène: werpronde, begint met het uitwerpen van de but en eindigt als alle boules gespeeld zijn.

Donnée: de plaats waar de boule neerkomt op het speelterrein.

Tête a tête: team bestaande uit één speler. Men speelt dan met drie boules per persoon.

Doublette: team bestaande uit twee spelers. Men speelt dan met drie boules per persoon.

Triplette: team bestaande uit drie spelers. Men speelt dan met twee boules per persoon.

Mêlée: wedstrijdvorm waarbij de partners door loting worden bepaald.

Pointeur: een bouler met als specialist plaatsen (speelt meestal met gegroefde ballen).

Milieu: de middelste speler in een triplette. Iemand die zowel kan plaatsen als schieten.

Tireur: een bouler met als specialiteit schieten (speelt meestal met gladde ballen).

Carreau: het wegschieten van een boule waarbij de eigen boule op de plaats van de andere boule komt te liggen.

Fanny: een uitdrukking die gebruikt wordt wanneer je een partij met 0-13 verliest.

Kunstwerk gemaakt door Martien van der Heijden